Instrumenten & Risico’s

Hieronder worden de kenmerken van diverse soorten financiële instrumenten besproken, alsmede de daaraan verbonden specifieke beleggingsrisico’s.
De beschrijving is niet limitatief, maar is bedoeld om een globale aanduiding te geven van die kenmerken en risico’s.

ALGEMENE BESCHRIJVING KENMERKEN EN RISICO’S FINANCIELE INSTRUMENTEN

Aan alle vormen van beleggen zijn risico’s verbonden. De risico’s zijn afhankelijk van de aard van de belegging.

Een belegging kan in meer of mindere mate speculatief of onderhevig aan (forse) koersschommelingen zijn.

Bijna altijd geldt dat een belegging met een hoger verwacht rendement grotere risico’s met zich meebrengt.

Zeker bij het beleggen in buitenlandse financiële instrumenten kan de overheidspolitiek in het desbetreffende land gevolgen hebben voor de waarde van de belegging en daarmee forse koersschommelingen in de belegging veroorzaken. Daarnaast dient bij het beleggen in veel buitenlandse financiële instrumenten rekening te worden gehouden met een additioneel risico, het valutarisico.

 

Aandelen en certificaten van aandelen

Aandelen zijn deelnemingen in het aandelenkapitaal van een vennootschap en kunnen op naam zijn gesteld of aan toonder luiden. De aandeelhouder mag zich – economisch gezien – beschouwen als een bezitter van een deel van het vermogen van een onderneming. Hij bezit daardoor een bepaalde zeggenschap en het recht op een uitkering (dividend). In geval van (de angst voor) een faillissement, maar ook in andere gevallen, kan de waarde teruglopen tot nul. Bij aandelen is daarom sprake van risicodragend kapitaal.

 

Certificaten van aandelen zijn effecten die originele aandelen vertegenwoordigen. De aandelen zelf zijn meestal in beheer bij een administratiekantoor. Certificaathouders zijn als het ware deelgerechtigd in de onderliggende aandelen. Niet alle rechten die zijn verbonden aan aandelen, zijn ook van toepassing op certificaten van aandelen. Vaak is bijvoorbeeld de aan aandelen verbonden zeggenschap bij de certificaten beperkt.

 

De waardeontwikkeling  – de aandelenkoers – wordt in eerste instantie beïnvloed door de resultatenontwikkeling en de winstvooruitzichten van de desbetreffende onderneming, maar ook door algemene economische, politieke en emotionele factoren. Daarnaast speelt de dividendpolitiek van de betrokken vennootschap een rol. Aandeelhouders komen pas voor dividend in aanmerking, nadat alle overige kapitaalverschaffers het aan hen toekomende rendement hebben ontvangen. Een aandelenbelegging kan onderhevig zijn aan (forse) koersschommelingen. Als een vennootschap wordt geliquideerd, staat de aandeelhouder bij verdeling van het liquidatiesaldo achteraan in de rij en komt hij bijvoorbeeld in rangorde na de obligatiehouders.

 

De risico’s van een belegging in aandelen kunnen dus zeer verschillend zijn, afhankelijk van onder meer de ontwikkelingen bij de onderneming en de kwaliteit van het management, maar ook van marktwerking (vraag en aanbod). De risico’s kunnen zeer groot zijn.

 

Obligaties

Obligaties zijn schuldbrieven van een lening, uitgegeven door een (overheids)instelling. Over de schuld wordt door die instelling over het algemeen een vooraf overeengekomen rente vergoed. Kort samengevat kan men een obligatie karakteriseren als een schuldbekentenis aan toonder voor een bepaald bedrag en een veelal vooraf bekende rente. Nagenoeg alle obligaties zijn aflosbaar. Obligaties behoren tot het zogenaamde vreemd vermogen van de uitgevende instelling.

 

Er bestaan bijzondere vormen van obligaties. Deze bijzondere vormen kunnen betrekking hebben op de wijze van rentebetaling, de wijze van aflossing, de wijze van uitgifte en bijzondere leningvoorwaarden. Het rendement op de obligatie kan bijvoorbeeld (mede) afhankelijk worden gesteld van de geldende rentestand (rente-indexobligaties of floating rate notes) of van de winst van de instelling die de obligatie heeft uitgegeven (zoals winstdelende obligaties en inkomstenobligaties). Er bestaan ook obligaties waarop geen rente wordt uitbetaald (zerobonds). Het rendement op deze obligaties wordt verkregen uit het verschil tussen de uitgiftekoers en de latere (hogere) aflossingskoers.

 

Ook een belegging in obligaties draagt risico’s met zich mee. De beurskoers van een obligatie is over het algemeen in de eerste plaats afhankelijk van de rentestand, zodat (forse) koersschommelingen kunnen plaats vinden. Voorts is de gegoedheid van de uitgevende instelling belangrijk (debiteurenrisico: de mate waarin de rentebetalingen en terugbetaling van de hoofdsom zeker zijn). In het algemeen houdt een lening van de Staat der Nederlanden nauwelijks een debiteurenrisico in. Daarentegen kunnen obligaties van een onderneming wel degelijk een debiteurenrisico in zich hebben. Ingeval van faillissement van de uitgevende instelling gelden de obligatiehouders – afhankelijk van het soort lening – veelal als concurrente onverzekerde crediteuren van de uitgevende instelling, tenzij ten behoeve van de obligatiehouder een speciale zekerheid is bedongen.

 

Converteerbare obligaties

De converteerbare obligatie (convertible) is een obligatie die gedurende de zogenaamde conversieperiode tegen de conversiekoers, onder bepaalde voorwaarden (meestal op verzoek van de belegger), al dan niet met een verrekening in contanten, kan worden omgewisseld in aandelen. De keuzemogelijkheid om de converteerbare obligatie om te zetten in aandelen ligt bij de obligatiehouder.

 

Een converteerbare obligatie vertoont kenmerken van zowel een obligatie als een aandeel. Voor de risico’s wordt derhalve verwezen naar de risico’s die zijn verbonden aan deze effecten.

 

Reverse convertible bonds

De reverse convertible bond is een bijzondere obligatievorm. De hoofdsom kan namelijk worden afgelost in contanten a pari of in aandelen van de betreffende onderliggende waarde. Aflossing geschiedt in aandelen van de onderliggende waarde, indien de beurskoers van de betreffende onderliggende waarde op een vastgesteld tijdstip of gedurende een vastgestelde periode een vastgelegde referentiekoers raakt of neerwaarts doorbroken heeft. Deze voorwaarden worden bij uitgifte van een reverse convertible bond vastgelegd en zijn onherroepbaar.

De belegger heeft hierin geen keuzemogelijkheid. De houder van een reverse convertible bond kan op de afloopdatum van zijn effect worden geconfronteerd met een aflossing in onderliggende aandelen in plaats van een uitkering van de hoofdsom in contanten. Deze aandelen kunnen een (fors) lagere waarde hebben dan de hoofdsom. Tegenover dit risico van een (fors) negatieve waarde-ontwikkeling staat een bovengemiddelde tot hoge rentevergoeding.

 

Een reverse convertible bond vertoont kenmerken van zowel een aandeel, een obligatie als het schrijven van een put-optie. Voor de risico’s wordt derhalve verwezen naar de risico’s die zijn verbonden aan deze financiële instrumenten.

 

Warrants

Een warrant vertegenwoordigt het recht om gedurende een vastgestelde periode een bepaald aantal (certificaten van) aandelen of obligaties (of in een enkel geval een bepaalde hoeveelheid vreemde valuta) te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs van de vennootschap, die ze beschikbaar heeft gesteld. Een warrant lijkt op een optie met dien verstande dat een warrant een recht vertegenwoordigt jegens de betrokken onderneming. Aan een warrant zijn niet de rechten verbonden die wel aan een aandeel of obligatie toekomen. Zo heeft de houder van een warrant geen stemrecht op vergaderingen van aandeelhouders en krijgt de houder van een warrant geen rente of dividend uitbetaald.

 

De prijsvorming van een warrant komt sterk overeen met die van een optie. De beurskoers en beweeglijkheid van bijvoorbeeld de onderliggende aandelen, het dividend op deze aandelen, de uitoefenprijs en de resterende looptijd van de warrant zijn van doorslaggevende betekenis voor de beurskoers van een warrant. Net als bij opties werken de koersfluctuaties van bijvoorbeeld de onderliggende aandelen in versterkte mate door in de beurskoers van de warrant. Warrants kunnen dus erg beweeglijk zijn.

 

De risico’s die zijn verbonden aan warrants zijn vergelijkbaar met de risico’s die zijn verbonden aan het kopen van opties.

 

Opties

Een optie geeft de koper het recht gedurende een vastgestelde termijn (de looptijd) een vaste hoeveelheid van een onderliggende waarde tegen een overeengekomen prijs te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). Met onderliggende waarde bedoelt men een vast aantal aandelen of obligaties, een hoeveelheid van een product of grondstof, een index of valuta.

 

De soorten, typen, contractgrootten en bijzonderheden van opties verschillen van beurs tot beurs. Beurzen geven vaak informatie omtrent de bij hen genoteerde en verhandelde opties op het internet

 

Werking van opties

Een belegger die een optie koopt, doet dat door een zogenoemde openingskoop en wordt de koper genoemd. Het bedrag dat een belegger voor de optie betaalt, heet premie. De kooppositie die nu ontstaat in call- of putopties wordt ook wel een long-positie genoemd. De koper heeft het recht gedurende de looptijd per optie de vaste hoeveelheid van de onderliggende waarde tegen een vastgestelde prijs te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). De optie houdt ooit op te bestaan; men noemt dat de expiratie van de optie. Als de koper van zijn recht gebruik wil maken, moet hij zijn optie uitoefenen. Dit kan alleen gedurende de looptijd. Bij sommige beurzen en typen opties kan men dat slechts op het eind van de looptijd althans op een bepaald moment doen. Na expiratie bestaat de optie en dus het recht in elk geval niet meer. Als de koper zijn recht tijdens de looptijd niet heeft uitgeoefend, loopt zijn optie waardeloos af en heeft hij als verlies de premie die hij heeft betaald. Meer dan de betaalde premie kan de koper van een optie niet verliezen.

Als een koper zijn optie gedurende de looptijd kwijt wil, kan hij dat doen door de optie te verkopen. Dat doet hij door een sluitingsverkoop.

 

Tegenover de koper, die een recht heeft gekocht, staat de verkoper, die ook wel schrijver wordt genoemd. De schrijver is zijn positie aangegaan door middel van een openingsverkoop. De schrijver heeft de plicht, als de koper dat eist, de onderliggende waarde te leveren (in het geval van een calloptie) of af te nemen (in het geval van een putoptie). De positie van de schrijver noemt men ook wel een short-positie. De schrijver ontvangt op het moment van het aangaan van de short-positie de premie die de koper heeft betaald. Als de schrijver gedurende de looptijd niet wordt ‘aangewezen’, bestaat de winst van de schrijver uit de ontvangen premie. Als een schrijver van een optie zijn positie gedurende de looptijd wil terugdraaien, kan hij dat doen door de optie terug te kopen. Dat doet hij door een sluitingsaankoop.

 

Indien iemand een calloptie schrijft terwijl hij de onderliggende waarde zelf bezit, wordt de optie als ‘gedekt’ aangemerkt. Een belegger kan ook een calloptie schrijven zonder dat hij de onderliggende waarde bezit. In zo’n geval spreekt men over ‘ongedekt’ schrijven. Geschreven putopties zijn altijd ongedekt. Aan short-posities zijn grote risico’s verbonden. Om er zeker van te zijn dat een schrijver van opties aan zijn verplichtingen kan voldoen, dient de schrijver een zekerheid (margin) te voldoen.

 

Als een koper een optie koopt, wordt er in economische zin een contract gesloten tussen hem en de verkopende partij. Er is echter geen directe relatie tussen de koper en de schrijver van een optie. Een instituut, dat de clearing wordt genoemd, administreert alle long- en short-posities die als gevolg van de handel zijn ontstaan en stelt zich juridisch gezien op tussen koper en verkoper. Doorgaans zitten tussen koper en verkoper en het clearinginstituut aan beide zijden nog meer schakels, zoals hun bank of beleggingsonderneming en een zogeheten clearing member. Koper en schrijver kennen elkaar dus niet.

 

Aan het kopen en verkopen van opties zijn risico’s verbonden. Een belegger dient niet over te gaan tot het kopen van een optie indien hij niet in staat is de betaalde premie te verliezen. Bovendien moet een belegger geen optie schrijven als hij niet in staat is een aanzienlijk financieel verlies te lijden.

 

Futures

Een future is een termijncontract. Bij het sluiten van een termijncontract komen koper en verkoper overeen de onderliggende waarde op een tijdstip in de toekomst, op expiratie, tegen een bepaalde prijs met elkaar te verhandelen. Beiden hebben hierbij op expiratie een verplichting: de koper heeft de verplichting de onderliggende waarde af te nemen en de verkoper heeft de verplichting de onderliggende waarde te leveren. De koers van een future komt tot stand door vraag en aanbod, maar heeft veelal een relatie met de onderliggende waarde. Er bestaan futures op diverse onderliggende waarden, zoals bijvoorbeeld aandelen, aandelenindices, commodities (goederen) en valuta.

 

De koers van een future is niet altijd gelijk aan de koers van de onderliggende waarde. Behalve door de koers van de onderliggende waarde, wordt de futurekoers ook beïnvloed door onder andere het marktsentiment, de rentestand en de eventuele dividenden of coupons die over de onderliggende waarde worden uitgekeerd. Daardoor kan het voorkomen dat een koersstijging of -daling van de onderliggende waarde niet of niet evenredig is terug te vinden in de koersontwikkeling van de future. Stijgt de koers van de onderliggende waarde, dan stijgt in de regel de koers van de future.

 

De soorten, typen, contractgrootten en bijzonderheden van futures verschillen van beurs tot beurs. Beurzen geven vaak informatie omtrent de bij hen genoteerde en verhandelde futures op het internet.

 

Werking van futures/ termijncontracten

Een belegger kan een future kopen of verkopen. Een belegger die een future koopt, doet een openingsaankoop. Hierdoor creëert hij een long-positie, een ander woord voor kooppositie. In principe maakt de koper winst als de koers van zijn future stijgt en verlies als de koers van zijn future daalt. Een belegger die een future verkoopt, doet een openingsverkoop. Door de openingsverkoop creëert de belegger een short-positie. De verkoper maakt winst als de koers van de future die hij heeft verkocht, daalt en verlies als de koers van de verkochte future stijgt.

 

Indien de koper zijn long-positie wil liquideren, kan hij dit doen door zijn future weer te verkopen. Hij verricht dan een sluitingsverkoop. Indien de verkoper zijn short-positie wil liquideren, kan hij dit doen door een future te kopen. Hij verricht dan een sluitingsaankoop.

 

Kenmerkend voor de handel in futures is dat de investering bij het openen van de positie alleen bestaat uit een zekerheid (de initial margin). Deze zekerheid dient ter nakoming van de verplichtingen die uit het termijncontract voortvloeien. N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie en/of de bank bepaalt de soort en hoeveelheid zekerheid die zij van Cliënt verlangt. Winsten en verliezen kunnen van dag tot dag worden bijgehouden en direct in geld verrekend op basis van de slotkoers van de betreffende future. Andere berekeningen zijn ook mogelijk. Een belegger dient niet in futures te handelen indien hij niet in staat is om een mogelijk aanzienlijk financieel nadeel te lijden.

 

Er is geen directe relatie tussen de koper en de verkoper van een future. Door een openingsaankoop of openingsverkoop van futures krijgt een belegger uitsluitend een rechtsverhouding met de beleggingsonderneming waar hij zijn positie in futures aanhoudt. Deze heeft op zijn beurt een rechtsverhouding met een clearing member. Een clearing member is een toegelaten instelling van het clearinginstituut, dat zich bezig houdt met de afwikkeling en administratie van termijncontracten. Als gevolg van deze getrapte structuur leiden openstaande posities in futures uitsluitend tot verplichtingen van het clearinginstituut jegens de clearing members. De clearing members houden de posities in futures aan op eigen naam, maar voor rekening en risico van de beleggingsondernemingen. Voor de solvabiliteit van de beleggingsonderneming, die namens een belegger optreedt, staan de clearing members en het clearinginstituut niet in. De structuur die hier is beschreven geldt van oudsher op optie- en termijnmarkten. Van beurs tot beurs kan de structuur afwijken.

 

Beleggingsinstellingen

Beleggingsinstellingen kunnen worden onderscheiden in beleggingsmaatschappijen en beleggingsfondsen. Bij beleggingsinstellingen wordt vermogen van aandeelhouders of participanten ondergebracht ter collectieve belegging (veelal in financiële instrumenten als aandelen, obligaties, opties en futures of een combinatie hiervan). Iedere beleggingsinstelling heeft zijn eigen kenmerken ten aanzien van onder andere structuur, beleggingsstijl, verhandelbaarheid, rendement, risico’s en kosten. De unieke kenmerken zijn per beleggingsinstelling beschreven in een prospectus en eventueel andere documentatie.

 

De risico’s van een belegging in beleggingsinstellingen kunnen dus zeer verschillend zijn, afhankelijk van de soort financiële instrumenten waarin belegd wordt en van ontwikkelingen op de financiële markten.

 

Overige financiële instrumenten

Naast bovengenoemde soorten financiële instrumenten kan belegd worden in velerlei andere instrumenten waarbij de beleggingsrisico’s sterk uiteen kunnen lopen. Hierna worden enkele regelmatig aangeboden instrumenten kort nader omschreven, waarbij geen sprake is van een limitatieve opsomming.

 

Certificaten bieden de mogelijkheid op een relatieve eenvoudige manier te beleggen in een aandelenindex, grondstof of valuta. Over het algemeen kennen dergelijke certificaten geen afloopdatum, geen garantieniveau en volgen zij één-op-één de koersontwikkeling van de onderliggende waarde.

De risico’s die verbonden zijn aan certificaten zijn vergelijkbaar met de risico’s aan beleggingen in de onderliggende waarde.

 

Garantieproducten, vaak onder de naam van garantiecertificaten of notes, zijn gebaseerd op een onderliggende waarde, bijvoorbeeld een aandelenindex. De constructie is veelal een samenstelling van een obligatie gecombineerd met een investering in een onderliggende waarde of een optie. De constructie zorgt er enerzijds voor dat aan het einde van de looptijd tenminste een minimum percentage van de nominale inleg wordt terugontvangen, anderzijds neemt de belegger deel in een mogelijke koersstijging van de onderliggende waarde. Bij een aantal garantieproducten bestaat de mogelijkheid tot een jaarlijkse uitbetaling.

Het risico bij een garantieproduct is enigszins beperkt, omdat de nominale inleg aan het einde van de looptijd gedeeltelijk of geheel wordt terugontvangen. Hierbij wordt er dan wel vanuit gegaan dat de instelling die de nominale inleg geheel of gedeeltelijk garandeert, zijn verplichtingen kan nakomen.

 

Turbo’s en soortgelijke instrumenten onder andere namen zijn speculatieve producten met een hefboomwerking, waarbij de investering in de onderliggende waarde in hoge mate wordt gefinancierd met vreemd vermogen. Dit betekent dat een kleine procentuele verandering in een onderliggende waarde resulteert in een hogere procentuele verandering in de waarde van het turbo product, positief én negatief. Standaard wordt een stop-loss niveau gebruikt, waarop de turbo wordt beëindigd en de restwaarde wordt uitgekeerd. Onderliggende waarden kunnen indices, aandelen, grondstoffen, valuta’s en obligaties zijn.

Het risico van deze producten is dat de koers zeer snel kan dalen (en stijgen). De inleg kan volledig verloren gaan.

 

Handel in “Traded-But-Not-Listed” effecten

Traded-but-not-listed effecten zijn financiële instrumenten die veelal zijn genoteerd op een buitenlandse (Europese) effectenbeurs en daar onderdeel uitmaken van een (aandelen)index, maar die geen notering hebben op Euronext Amsterdam. Cliënt kan niettemin via Euronext Amsterdam transacties uit (laten) voeren in deze traded-but not-listed effecten. N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie wijst Cliënt in dit verband op de volgende bijzonderheden die aan de handel in deze categorie financiële instrumenten verbonden zijn:

de Listing and Issuing Rules van Euronext Amsterdam zijn niet van toepassing;

Euronext Amsterdam en N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie staan er niet voor in dat (koersgevoelige) informatie (tijdig) in Nederland wordt gepubliceerd en dat deze informatie niet afwijkt van de informatie die wordt gepubliceerd in het land waar de effecten wel aan een effectenbeurs zijn genoteerd;

Euronext Amsterdam en N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie hebben geen verplichting om (koersgevoelige) informatie te publiceren en zij staan er niet voor in dat de effectenbeurzen waar de effecten zijn genoteerd deze informatie publiceren en dat de informatie tijdig wordt verwerkt.

 

OTC-HANDEL

Naast de handel ter beurze vindt op schaal van betekenis ook handel in financiële instrumenten plaats buiten de beurzen om. Deze buiten beurs handel (ook wel “over-the-counter” of afgekort “OTC” genaamd) heeft haar specifieke eigenschappen.

 

Indien sprake is van de plaatsing c.q. handel in financiële instrumenten (ook wel private placements genaamd), die niet zullen worden toegelaten tot de notering aan een effectenbeurs, zal doorgaans geen liquide markt bestaan. De liquiditeit van de handel in niet-beursgenoteerde producten kan (afhankelijk van de aard van het product) lager zijn dan bij beursgenoteerde producten. Dat kan ertoe leiden dat er een groot verschil ontstaat tussen bied- en laatprijs en dat gelimiteerde orders en zelfs bestensorders tot aankoop of verkoop niet kunnen worden uitgevoerd. De koers van een niet-beursgenoteerd financieel instrument wordt veelal slechts eenmaal per dag vastgesteld en soms nog minder vaak (eens per week, maand en zelfs jaar). Bij niet-beursgenoteerde producten bestaat voorts het risico dat restricties zijn opgelegd ten aanzien van de verhandelbaarheid van het betreffende financieel instrument. Dat kan inhouden dat het financieel instrument in bepaalde perioden niet kan worden gekocht en verkocht.

 

Afwikkeling van transacties in niet-beursgenoteerde financiële instrumenten vindt doorgaans niet plaats via een centraal clearingsysteem, hetgeen een tegenpartijrisico oplevert (het risico dat de tegenpartij van de transacties de financiële instrumenten niet betaalt of niet levert). De afwikkeling van transacties in niet-beursgenoteerde financiële instrumenten (zowel bij eerste inschrijving als daarna) kan voorts geruime tijd in beslag nemen, waardoor – indien de betreffende financiële instrumenten in een andere valuta dan de euro luiden – Cliënt een valutarisico loopt.

 

Voor wat betreft opties en futures kan het voorkomen dat de specificaties niet zijn gestandaardiseerd. Als Cliënt met N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie afspreekt dat hij een optie (of future) wil kopen of verkopen met bijzondere specificaties die afwijken van de beursgenoteerde opties (bijvoorbeeld ten aanzien van onderliggende waarde, contractgrootte of valuta) dan spreekt men ook weer van over-the-counter (OTC) opties. N.V. De Vereenigde Effecten Compagnie zal die order dan niet op de beurs uitvoeren, maar zal een professionele tegenpartij zoeken die bereid is tegen een goede prijs een dergelijk optiecontract met hem te sluiten, uiteraard voor rekening en risico van Cliënt.